schpiele

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schpie·le

Werkwoord 1

vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
spiele
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gschpielt
enkelvoud meervoud
1e persoon ich schpiel mir schpiele
2e persoon du schpielscht dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
schpielt
schpiele
schpiele
schpielt
schpiele
3e persoon er schpielt sie schpiele
sie schpielt
es schpielt

Werkwoord

schpiele

  1. spelen
Opmerkingen

Werkwoord 2

Werkwoord

schpiele

  1. afwassen, spoelen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen