schotwonde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schot·won·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schotwonde schotwonden
verkleinwoord schotwondje schotwondjes

Zelfstandig naamwoord

schotwonde v/m

  1. wond ontstaan door een schot met een vuurwapen
    • Zijn vriend Stone werd gestoken met het mes, waarop het trio de aanvaller bewusteloos sloeg en vastbond. Het kreeg daarbij de hulp van een Britse treinreiziger, Chris Norman. Stone ontfermde zich nadien over een passagier die een schotwonde aan de nek had opgelopen. "Hij stak zijn vingers in de wonde om het bloeden te stelpen. Dat heeft het leven van die man gered." [1] 
    • Het was even schrikken voor de gasten van de Bumi Hills Safari Lodge in Zimbabwe toen een olifant wel heel dicht naderde. Maar manager Nick Milne beseft al snel dat de kolos dringend hulp nodig had. Hij merkte een schotwonde op en zag dat 'Ben' zwaargewond was. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen