schooier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schooi·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schooier schooiers
verkleinwoord schooiertje schooiertjes

Zelfstandig naamwoord

schooier m

  1. een landloper
    • Daar liepen een paar schooiers. 
  2. een deugniet
    • Wat een schooiertje ben je toch! 
  3. een bedelaar
    • Er zaten een aantal schooiers in die steeg. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.