schokker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schok·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het eiland Schokland met het achtervoegsel -er [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schokker schokkers
verkleinwoord schokkertje schokkertjes

Zelfstandig naamwoord

schokker m

  1. een vissersboot met een platbodem met zijzwaarden en een rechte stevenbalk die aan de bovenzijde een ingebouwde katrol bevat voor de ankerlijn [3]
    • De schokker voer de haven binnen. 
  2. een bepaald model zeiljacht
    • De schokker had de wind aan bakboord. 
  3. een hoog groeiende groene erwt [4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen