schoenmaker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een schoenmaker.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoen·ma·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schoenmaker schoenmakers
verkleinwoord schoenmakertje schoenmakertjes

Zelfstandig naamwoord

schoenmaker m

  1. (beroep) iemand die als vak schoenen repareert
    • Hij was schoenmaker, had later ook een schoenwinkel, maar maakte zich veel zorgen als hij weer eens in een machine moest investeren, dat woog zwaar. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen