schoeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoeien
schoeide
geschoeid
zwak -d volledig

Werkwoord

schoeien

  1. overgankelijk van schoeisel voorzien
    Hij werd goed geschoeid en gekleed.
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.