schitterde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schit·ter·de

Werkwoord

vervoeging van
schitteren

schitterde

  1. enkelvoud verleden tijd van schitteren
    • Ik schitterde. 
    • Jij schitterde. 
    • Hij, zij, het schitterde.