schimmig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schim·mig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schimmig schimmiger schimmigst
verbogen schimmige schimmigere schimmigste
partitief schimmigs schimmigers -

Bijvoeglijk naamwoord

schimmig

  1. vaag, onduidelijk, spookachtig
    • Het schimmige politieke spel zorgde voor een verminderd vertrouwen in de regering. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen