schijthuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

schijthuis
Uitspraak
Woordafbreking
  • schijt·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijthuis schijthuizen
verkleinwoord schijthuisje schijthuisjes

Zelfstandig naamwoord

schijthuis o

  1. (verouderd) afgesloten ruimte met toilet
    • ‘En daar in het schijthuis van het klooster werd ik als door een bliksemschicht getroffen door de idee dat de rechtvaardigen zullen leven door het geloof alleen.’ [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC 12 januari 2017 JOOST VERMEULEN
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be