schijnt
Uiterlijk
- schijnt
| vervoeging van |
|---|
| schijnen |
schijnt
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schijnen
- Jij schijnt.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schijnen
- Hij schijnt.
- (verouderd) gebiedende wijs meervoud van schijnen
- Schijnt!
- ▸ Heb je het fijn?' 'Ja, ja, de zon schijnt,' zeg ik obligaat.[1]
- ▸ Het schijnt vrij eenvoudig te zijn, maar dan moet ik wel mijn dataroaming aanzetten, terwijl ik juist even verlost wilde zijn van de terreur van Steve Jobs in mijn broekzak.[1]
- ▸ Het schijnt vrij eenvoudig te zijn, maar dan moet ik wel mijn dataroaming aanzetten, terwijl ik juist even verlost wilde zijn van de terreur van Steve Jobs in mijn broekzak.[1]
- Het woord schijnt staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 3 Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340