schijnsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schijn·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijnsel schijnsels
verkleinwoord schijnseltje schijnseltjes

Zelfstandig naamwoord

schijnsel o

  1. zacht licht van een lamp of kaars
    • Bij het schijnsel van een paar kaarsen nuttigden wij een intieme maaltijd. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be