schijnsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schijn·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijnsel schijnsels
verkleinwoord schijnseltje schijnseltjes

Zelfstandig naamwoord

schijnsel o

  1. zacht licht van een lamp of kaars
    • Bij het schijnsel van een paar kaarsen nuttigden wij een intieme maaltijd. 
     Dit alles schonk hem een moeilijk uit te leggen innerlijke vrede, ook wanneer hij zich 's ochtends voor de gebarsten spiegel schoor in het schijnsel van de petroleumlamp of in zijn wolfshuid de veranda op stapte en diep door zijn neus inademde.[1]

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be