scheuteling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scheu·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • vermoedelijk afgeleid van  schut zn  met het achtervoegsel -ling en met het invoegsel -e-, omdat ze met een houten schot van de zeug werden weggehouden [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord scheuteling scheutelingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

scheuteling m

  1. (veeteelt) jong varken dat geen moedermelk meer drinkt
    • Haar moeder keek haar na met lichte, doffe, oude ogen, en knikte en draaide haar hoofd toen ze weg was en wist niet wat ze met het big moest doen, want het andere big zou nu reeds een rijpe scheuteling zijn geweest. [3]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boon, C.A. den & R. Hendrickx (red.) Van Dale: Groot woordenboek van de Nederlandse taal (driedelig) 15e druk (2015) Van Dale Uitgevers Utrecht/Antwerpen; ISBN 9789460772221; p. 3442
  3. Haimon, P. De weg over de grens. 2e druk (1978) Corrie Zelen, Maasbree; ISBN 90 6280 541 8; p. 255; geraadpleegd 2018-03-12