Naar inhoud springen

scheuren

Uit WikiWoordenboek
  • scheu·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheuren
scheurde
gescheurd
zwak -d volledig

scheuren

  1. overgankelijk in twee of meer delen trekken
    • De aardschok scheurde het huis in tweeën. 
    • Het huis werd door de aardschok in in tweeën gescheurd. 
  2. ergatief langs een inkeping in twee of meer delen uiteenvallen
    • De muur scheurde van boven naar beneden. 
    • Die muur is lelijk gescheurd. 
  3. zeer snel voortbewegen
     Straaljagers scheuren door het grijze luchtruim.[2]

descheurenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheur
     Het was alsof vraagtekens bij de levensvatbaarheid van hun verbintenis tot scheuren konden leiden op een moment dat er helemaal niets tussen hen mocht komen.[3]
     Als de bron opdroogt of de vijverwand scheuren vertoont, zal ook de vijver zelf niet lang bestaan.[4]
     Eenvoudige bedden, mooie tapijten, plafonds met scheuren erin.[5]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. scheuren op website: Etymologiebank.nl
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. Jessie Burton
    “De bekentenis” (2020), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586295
  4. Michel Dijkstra
    “Taoïsme” (2022), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312657
  5. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be