schei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schei
enkelvoud meervoud
naamwoord schei scheien
verkleinwoord scheitje scheitjes

Zelfstandig naamwoord

schei v/m

  1. (molenaarsambacht) een soort van buffer die de verticale beweging van de slagbeitel in een oliemolen opvangt

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

Werkwoord

vervoeging van
scheiden

schei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheiden
    • Ik schei. 
  2. gebiedende wijs van scheiden
    • Schei! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheiden
    • Schei je? 
Synoniemen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be