Naar inhoud springen

scheen

Uit WikiWoordenboek
  • scheen
  • In de betekenis van ‘voorzijde van onderbeen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord scheen schenen
verkleinwoord scheentje scheentjes

descheenv/m

  1. (anatomie) voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
  • Iemand het vuur na aan de schenen leggen.
Het iemand moeilijk maken.
  • Iemand tegen de schenen schoppen.
Iemand pijnlijk raken.
vervoeging van
schijnen

scheen

  1. enkelvoud verleden tijd van schijnen
    • Ik scheen. 
    • Jij scheen. 
    • Hij, zij, het scheen. 
     De ijzige temperatuur van het appartement, die niemand scheen op te vallen behalve mij.[2]
     Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil.[3]
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[4]
  1. "scheen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be