schee

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schee
enkelvoud meervoud
naamwoord schee scheeën
verkleinwoord scheetje scheetjes

Zelfstandig naamwoord

schee v/m

  1. schede, omhulsel
  2. (scheepvaart) een verdikking onder de voorsteven van een schip ter bevordering van de stuurbaarheid
  3. (visserij) een lange plank die over het strand getrokken werd om de garnalen te doen opspringen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schee

Bijvoeglijk naamwoord

schee

  1. mooi
    «Nova Scotia is wunnerbaar schee
    Nova Scotia is heerlijk mooi.
Opmerkingen