schavot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: schavuit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·vot
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stellage voor lijfstraf’ voor het eerst aangetroffen in 1340 [1]
  • afgeleid van het Franse échafaud [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord schavot schavotten
verkleinwoord schavotje schavotjes

Zelfstandig naamwoord

schavot o

  1. een verhoging voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden/werden
    • Hij betrad moedig het schavot. 
    • En daar staan we weer voor de strijd uitgerust, dacht Albert, klaar om het schavot te beklimmen (zo werd de ladder genoemd die ze gewoonlijk gebruikten om de loopgraaf uit te komen, over perspectief gesproken) en dan met het hoofd vooruit op de vijandelijke linies af te stormen. [4] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen