schavelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·ve·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schavelen
schaveelde
geschaveeld
zwak -d volledig

Werkwoord

schavelen

  1. ergatief, (scheepvaart) het almaar langs elkaar wrijven van touw of zeil waardoor snel slijtplekken ontstaan
    • Waar de fok steeds langs de stag schaveelt, omwikkelen we de stag met een smarting. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid