schar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567 [1]

Werkwoord

vervoeging van
scharren

schar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharren
    • Ik schar. 
  2. gebiedende wijs van scharren
    • Schar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharren
    • Schar je? 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen