schansen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schan·sen

Zelfstandig naamwoord

schansen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schans

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.