schans

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schans
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schans schansen
verkleinwoord schansje schansjes

Zelfstandig naamwoord

schans v / m [2]

  1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
  2. wal om een stad (met name om Amsterdam)
  3. (sport) springschans
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal