schalk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schalk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grappenmaker’ voor het eerst aangetroffen in 1782 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord schalk schalken
verkleinwoord schalkje schalkjes

Zelfstandig naamwoord

schalk m [4]

  1. een deugniet, ondeugd (persoon) [5]
  2. eenvoudig hijstoestel [6]
  3. (bouwkunde) een zuil die tegen een wand of pijler geplaatst is en niet vrij staat in de ruimte. Ook kan een schalk omschreven worden als een pilaster die niet plat is, maar rond van vorm is
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen