schaduw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Een schaduw op de muur.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·duw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘silhouet, schim’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schaduw schaduwen
verkleinwoord schaduwtje schaduwtjes

Zelfstandig naamwoord

schaduw v/m

  1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
    • Ik sta in de schaduw van de boom. 
     Paraplu? Ja dat vond ik zelf eerst ook raar, maar dankzij de schaduw van mijn paraplu ging mijn lichaamstemperatuur aanzienlijk omlaag.[2]
  2. een donkere vorm op muur, schildering of grond
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schaduwen

schaduw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaduwen
    • Ik schaduw. 
  2. gebiedende wijs van schaduwen
    • Schaduw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaduwen
    • Schaduw je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen