schabel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schabel schabellen
verkleinwoord schabelletje schabelletjes

Zelfstandig naamwoord

schabel v/m [2]

  1. eenvoudige bank met een plank als rugleuning
  2. eenvoudige bank waarop de verdachte in een rechtbank zit
  3. plank bij een weefgetouw waarop de voeten kunnen rusten
Synoniemen
Vertalingen


Gangbaarheid

13 % van de Nederlanders;
14 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen