schaatser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaat·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schaatser schaatsers
verkleinwoord schaatsertje schaatsertjes

Zelfstandig naamwoord

schaatser m

  1. Een man die schaatst, een beoefenaar van de schaatssport.
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be