schaatsenrijder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Een schaatsenrijder.
[2] Een schaatsenrijder.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaat·sen·rij·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schaatsenrijder schaatsenrijders
verkleinwoord schaatsenrijdertje schaatsenrijdertjes

Zelfstandig naamwoord

schaatsenrijder m

  1. iemand die zich op de schaats voortbeweegt
    • Bij schaatsenrijders die deelnemen aan de molentocht gaat een kop snert er altijd wel in. 
  2. (insecten) Gerris lacustris, een insect dat zich dank zij de oppervlaktespanning op het wateroppervlak voortbeweegt
    • Schaatsenrijders leven van kleine diertjes die per ongeluk in het water terechtkomen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid