schaatsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schaatsen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaat·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schaatsen
schaatste
geschaatst
zwak -t volledig

Werkwoord

schaatsen

  1. inergatief zich voortbewegen op schaatsen
    • Doe jij veel aan schaatsen? 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schaatsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schaats
enkelvoud meervoud
naamwoord schaatsen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schaatsen o

  1. het zich voortbewegen op schaatsen (al dan niet op ijs)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen