schaad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaad

Werkwoord

vervoeging van
schaden

schaad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaden
    • Ik schaad. 
  2. gebiedende wijs van schaden
    • Schaad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaden
    • Schaad je?