scepsis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scep·sis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘twijfel’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord scepsis
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

scepsis v

  1. twijfel of iets wel waar is, twijfel of iets goed afloopt
    • Hij had grote scepsis bij wat de fantast hem allemaal op de mouw probeerde te spelden. 
    • Hij had grote scepsis bij de kansen op genezing van zijn zieke vrouw. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen