saluut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·luut
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: groet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1866 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘militaire groet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1822 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord saluut saluten
verkleinwoord saluutje saluutjes

Zelfstandig naamwoord

saluut o

  1. een militaire groet
    • De militairen brachten een saluut. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen