salmagundi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sal·ma·gun·di
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord salmagundi salmagundi's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

salmagundi o

  1. (kookkunst) gemengde salade
    • Recept: Salmagundi, inspirerende en originele salades uit het Midden-Oosten en verder - van Karakter Uitgevers ISBN 9789045204383 [3] 
    • En dan is er nog de titel zelf, Salmagundi, die, in elk geval voor een leek, best Arabisch klinkt. Maar ik had het toch mooi mis. Salmagundi blijkt een 17e-eeuwse Engelse term te zijn voor een gemengde salade. Zo’n salade kwam destijds op tafel als voor- of tussengerecht en werd opgebouwd in laagjes. [4] 
  2. (kookkunst) ragout van allerlei vleesrestanten

(figuurlijk) (verouderd) onsamenhangend geheel

    • De humoristische litteratuur uit de ‘cultus’-periode bestaat, met uitzondering van de romans van Dickens, Thackeray en enkele anderen, uit korte schetsen of novellen en zoogenaamde romans, die eigenlijk een ‘salmagundi’ zijn van allerlei beschouwingen over de meest uiteenloopende onderwerpen, invallen, phantasieën, verhalen, beschrijvingen, etc. etc. Potgieter noemde dit fragmentarische den ‘vloek van den vorm’ en voegde daar verdrietig aan toe: ‘maar wat is niet fragment in onze dagen!’ [5]
    • Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, en wat hem daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles dooreen, en die bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn salmagundi, zijn ollapodrida aan dien grooten heer - dien grootste van alle heeren - het groot Publiek aan te bieden.... is het wonder dat de bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had - om met koning Filippus te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een rekwest overgaf - van een bedelaar, die een penning aan een olifant geeft? [6]

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen