sales

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sales
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - sales
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sales mv

  1. afzet aan consumenten tegen verlaagde prijzen
    • De groei van Free Record Shop, typisch zon winkel waar uitverkoop sales heet, is stormachtig verlopen. [1]
  2. (bedrijfskunde) afzet van een product aan klanten
    • Stagiair Kouwenberg werd receptionist, Jront office manager in een Zwitserse dependance, 'deed' sales en marketing en werd in 1990 general manager. [2]
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord sales -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als enkelvoud.

Zelfstandig naamwoord

sales v / m

  1. (bedrijfskunde) afdeling van een bedrijf die klanten benadert om producten te verkopen
    • Zo denkt marketing dat de content die zij produceert eraan bijdraagt dat sales grote deals weet te sluiten, maar in werkelijkheid wordt maar liefst 65 procent van de content nooit door sales gebruikt. (…) Tegelijkertijd heeft sales waardevolle content in handen die zij kan delen met potentiële klanten, waardoor een deal direct een grotere kans van slagen heeft. [3]

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

sales mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sale


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

sales

  1. vrouw./mnl. meervoud van sale


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
salar

sales

  1. aanvoegende wijs tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van salar
  2. gebiedende wijs (ontkennend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van salar
vervoeging van
salir

sales

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van salir