sakkeren

From WikiWoordenboek
Jump to navigation Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sak·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sakkeren
sakkerde
gesakkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

sakkeren

  1. inergatief vloeken, foeteren, schelden, afgeven op iemand
    • Hou eens op met sakkeren! 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.