sakkeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sak·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sakkeren
sakkerde
gesakkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

sakkeren

  1. inergatief vloeken, foeteren, schelden, afgeven op iemand
    • Hou eens op met sakkeren! 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be