saboteur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·bo·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord saboteur saboteurs
verkleinwoord saboteurtje saboteurtjes

Zelfstandig naamwoord

saboteur m [1]

  1. iemand die saboteert (sabotage pleegt)
    • de eerste saboteurs gooiden hun klompen (Frans -> sabot) in de machines 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen