saage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • saa·ge
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
saage
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gsaagt
enkelvoud meervoud
1e persoon ich saag mir saage
2e persoon du saagscht dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
saagt
saage
saage
saagt
saage
3e persoon er saagt sie saage
sie saagt
es saagt

Werkwoord

saage

  1. zeggen
    «Ich hab schunn viel weisse Schparregraas in Deitschland gesse un ich kann ehrlich saage ass es arrig gut iss.»
    Ik heb al veel witte asperges in Duitsland gegeten en ik kan eerlijk zeggen dat het zeer goed is.
Opmerkingen