rusteloosheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rus·te·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rusteloosheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rusteloosheid v

  1. het rusteloos zijn
    De rusteloosheid van de delirante patiënt kon men met neuroleptica bestrijden.