rukker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruk·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rukker rukkers
verkleinwoord rukkertje rukkertjes

Zelfstandig naamwoord

rukker m [2]

  1. iemand die rukt
  2. (seksualiteit) in het bijzonder: manspersoon die zich aftrekt


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal