rugwind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·wind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rugwind rugwinden
verkleinwoord rugwindje rugwindjes

Zelfstandig naamwoord

rugwind m

  1. wind die van achteren komt en dus tegen de rug waait
    • Bolt dook dit jaar op de 100 meter pas één keer onder de 10 seconden, ruim een week geleden in Monaco (9,95). Hij was daarmee 0,13 seconde langzamer dan de snelste man van dit jaar, de Amerikaan Christian Coleman (9,82). Andre de Grasse uit Canada klokte dit seizoen een toptijd van 9,69, maar hij deed dat in Stockholm met teveel rugwind. [1] 
  2. (figuurlijk) iets wat een proces stimuleert
    • Of die geldpersen van de centrale banken: op het moment dat die stoppen met draaien, valt de rugwind voor de beurzen weg. Niemand weet hoe het grootste experiment uit de monetaire geschiedenis precies zal aflopen. ‘Hoe snel zullen we terugkeren naar de normaliteit?’, vraagt De Leus zich af. ‘De Fed en de ECB staan voor een moeilijke evenwichtsoefening. De markten zijn verslaafd aan liquiditeiten. Als de centrale banken opeens op de rem gaan staan, dan wordt een verdere stijging van de beurzen moeilijk houdbaar.’ [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia 01-augustus-2017
  2. de Standaard ZATERDAG 14 OKTOBER 2017