ruft

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruft
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruft ruften
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

ruft m

  1. (spreektaal) (harde) scheet, wind
  2. (in Noord-Nederlandse dial.) luier, rift

Werkwoord

vervoeging van
ruften

ruft

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van ruften
  2. gebiedende wijs van ruften

Gangbaarheid

Verwijzingen


Fries

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruft
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

ruft

  1. luier van stof, luierdoek
    «Te grut foar ruft en te lyts foar tafellekken. »
    Te groot voor servet en te klein voor tafellaken (gezegd van halfwassen meisjes en jongens).

Verwijzingen

  1. A.A. Weijnen “Etymologisch dialectwoordenboek” (2003), Sdu Uitgevers, Den Haag.