ruïnering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ru·ï·ne·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruïnering ruïneringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ruïnering v

  1. het zorgen dat iets van mindere kwaliteit wordt
    • Pijnenburg stelde dat de super zijn peperkoek 'kapotdumpte' door hem onder de kostprijs te verkopen en er weinig van in de schappen te leggen. In een kort geding stelde de rechter Pijnenburg in het gelijk: de koekenbakker hoefde niet aan Albert Heijn te leveren en mocht zich verzetten tegen 'ruïnering' van zijn product. [1] 
    • De actie in Huizinge is een protest tegen ,,kaalslag en ruïnering” op het Groningse platteland. ,,Al bijna zestig panden zijn afgebroken, diverse huizen staan leeg en duizenden woningen moeten worden gesloopt of versterkt. De koffers en verhuisdozen staan symbool voor het gevoel van ontheemding dat veel Groningers hebben”, aldus de actiegroep. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen