romanist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·ma·nist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord romanist romanisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

romanist m [2]

  1. (beroep) iemand die de romaanse taal- en letterkunde heeft bestudeerd, het betreft het Frans, Spaans, Italiaans, Roemeens, Portugees, Reto-Romaans die allen zijn voortgekomen uit het Vulgair Latijn
    • Klemperer was geen historicus, maar – als romanist – een taal- en letterkundige. [3] 
    • Ik weet dat uit een artikel dat onlangs in Hollands Maandblad stond. Daarin vertelde de romaniste Charlotte Goulmy hoe ze jaren geleden al een proefschrift over Rubinstein wilde schrijven. Dat werd toen verhinderd door de erven, die haar geen toegang tot de archieven gaven. [4] 
    • Een boek dat De prijs van de vrijheid heet en op het omslag het schilderij ‘Melancholie’ van Munch heeft staan – dat belooft niet veel goeds. Ongetwijfeld zal die prijs torenhoog blijken te zijn en aanleiding geven tot veel getob. Maar dat valt mee. Joep Dohmen, filosoof, en Maarten van Buuren, romanist en literatuurwetenschapper, hebben vooral een informatief boek geschreven, waarop de ondertitel (‘Denkers en schrijvers over moderne levenskunst’) nog het meest van toepassing is. [5] 
  2. schilder die door de Italiaanse renaissance is beïnvloed
Verwante begrippen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen