rolschaatsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rol·schaat·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rolschaatsen
rolschaatste
gerolschaatst
zwak -t volledig

Werkwoord

rolschaatsen

  1. inergatief (sport) het zich voortbewegen op ondergebonden wieltjes
    • Hij rolschaatste graag. 

Zelfstandig naamwoord

rolschaatsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rolschaats

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie