rolluik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rol·luik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rolluik rolluiken
verkleinwoord rolluikje rolluikjes

Zelfstandig naamwoord

rolluik o

  1. verticaal bewegende afsluiting voor een raam, deur of andere opening in een gebouw of andere ruimte
    • Ik ben nu veilig achter een metalen valhek in een restaurant waar ik naar binnen ben gerend. Ze hebben het stalen rolluik laten zakken dus ik zit nu veilig. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen