rokeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
rokeren rokerend
rokade
Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rokeren


rokeerde


gerokeerd


zwak -d volledig

Werkwoord

rokéren

  1. (inergatief), (schaak) het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
    Je mag niet rokeren als je schaak staat.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Wiktionnaire