roffel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rof·fel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord roffel roffels
verkleinwoord roffeltje roffeltjes

Zelfstandig naamwoord

roffel m [3]

  1. (muziek) een serie snel op elkander volgende slagen op een trommel
    • En nu ziet hij er dan één in het echt, achterin: een echte berenmutsmeneer. Mét trommel. Stijn weet niet wat hij ziet. Hij is met Venema onderweg om een uniform te pakken, maar staat meteen stil. "Kijk eens, Stijn", wijst moeder Eke. Onwennig blikt hij naar Bart Pennings, de echte berenmutsmeneer. Die geeft een stevige roffel op de trommel. Stijn kijkt met open mond, zus Sophie (5) danst in het rond.[4] 
    • Nee, ik ben niet sarcastisch als ik zeg dat deze compositie goed in elkaar zit. Het zit hem in de combinatie van schaamteloze voorspelbaarheid - je weet precies wanneer Elstak de beat gaat droppen, na dat snaredrum-roffel-crescendo - en gewiekste ritmische variatie. Lekker toch, die off-beat-pianopartij, en al die synthesizerlaagjes. Elstak gebruikt alleen maar majeurakkoorden, het tempo is hartslagverhogend: alles is gericht op de endorfinekick.[5] 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
roffelen

roffel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roffelen
    • Ik roffel. 
  2. gebiedende wijs van roffelen
    • Roffel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roffelen
    • Roffel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen