roesmiddel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roes·mid·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord roesmiddel roesmiddelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

roesmiddel o

  1. (farmacologie) chemische stof die zorgt voor een verlaging en verandering van het bewustzijnsniveau
    • Partydrug xtc is aan een gevaarlijke opmars bezig. Mede door de populariteit van dansfeesten is het de meest gebruikte harddrug en zorgt het voor gezondheidsproblemen. Meer dan een kwart miljoen Nederlanders heeft het roesmiddel het afgelopen jaar gebruikt. [1] 
    • Na een heftig feestweekend liggen de straten in de steden er vol mee: kleine zilveren flesjes. Het zijn de slagroompatronen waar het lachgas in zit. Het gas (distikstofmonooxide, N2O) heeft een psychedelische en zintuiglijke werking en is daarom populair als roesmiddel. Door het gas snel in en uit te ademen blijft het langer in de longen en ontstaat de roes. [2] 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen