roekeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·ke·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onberaden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • Naamwoord van handeling van het verouderde werkwoord roeken met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen roekeloos roekelozer roekeloost
verbogen roekeloze roekelozere roekelooste
partitief roekeloos roekelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

roekeloos

  1. overmoedig, zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
    • Geschepte fietsster gewond op voorruit roekeloze automobilist: Een 19-jarige fietster is vrijdag geschept door een auto in de Langestraat in Hengelo, waarna ze op de motorkap van de auto belandde en met haar hoofd tegen de voorruit knalde. Ze is gewond naar het ziekenhuis gebracht. De bestuurder is zijn rijbewijs kwijt omdat hij gevaarlijk reed. [3] 
    • Wees toch niet zo roekeloos! 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen