roefelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·fe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roefelen
roefelde
geroefeld
zwak -d volledig

Werkwoord

roefelen

  1. rommelen
    • Die dame zocht haar sleutels en roefelde in haar handtas. 
  2. slordig werken
    • Iets roef roef doen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be