rodelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘een helling af sleeën’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rodelen
rodelde
gerodeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rodelen

  1. inergatief (sport) op een bepaald soort slede een berghelling afsnellen
    • Er werd die middag gerodeld om het Olympisch goud. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen