riviervis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·vier·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord riviervis riviervissen
verkleinwoord riviervisje riviervisjes

Zelfstandig naamwoord

riviervis m

  1. een in de rivier levende vis
    • Riviervissen smaken anders dan zeevissen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.